Een manier voor tranen

Niet al te lang geleden vond ik mezelf huilend in een trein. Laat ik zeggen dat dat geen dagelijkse gewoonte van me is. Maar ik kon even niet anders.

Misschien ga ik je hevig teleurstellen als ik vertel waarom dan. Geen heftige verhalen. Ik had geen ruzie. Geen problemen op school. Geen liefdesverdriet. Er was niemand dood.
De trein had ook niet zo onnoemelijk veel vertraging dat ik niet meer op mijn bestemming aan zou komen.

Tegenover mij zat iemand kauwgom te kauwen.

Ik herinner me dat ik het er al eens vaker over heb gehad. Toen was het een voorval. Nu is het een regelmatig terugkerend probleem. Het lijkt wel een nieuwe mode: kauwgom eten en dan vooral met zo veel mogelijk herrie erbij.
Het is smerig. Irritant. Lomp. En als je maar lang en hard genoeg doorgaat, krijg je mij er mee aan het huilen. Ja, dat laatste is mijn eigen gebrek. Maar ik snap alsnog niet waar tegenwoordig de ouders zijn gebleven die je vertellen dat je met je mond dicht eet.
Bestaan ze nog, manieren?

Helaas was ik zelf gemanierd genoeg om me er niet mee te bemoeien.

Schreeuwde

En opeens was je er weer.
Meteen stond ik stil,
zei niks meer

wilde op de koude tegels zakken,
verdwijnen
om te wachten en te blijven.

Ik wacht mijn beurt

12 november

Het is even over half 6. De avond is gevallen, alweer iets vroeger dan gisteren. Het lijkt op de neerwaartse spiraal van mijzelf en vallen op de ijsbaan. Je weet dat het zich niet altijd voort kan zetten, je kan immers niet vallen vóórdat je opstond. Eens zal het tij zich keren. Dat lijkt waarschijnlijk.

De avond is gevallen en het is spits op de campus. Zelfs de lichten maken drukte. Vooral de witte schijnsels die uit de gebouwen met veel glas bruisen. Dan zijn er de lichten van het verkeer, iedereen die haast maakt om na een lange dag thuis te komen. Voetgangers rennen om een trein of bus te halen. Door rood of groen, ze doen maar wat.

Zelf heb ik geen haast. Ik ben op tijd. In tegenstelling tot de massa ga ik naar de universiteit tóe. Ik loop rustig en kijk om me heen. Ik lach om de haast, de drukte en de chaos. Laat me niet door de menigte van mijn pad brengen. Weet dat ik op hakken loop. Word bekeken maar kijk niet terug.

De campus loopt leeg maar de lichten zijn aan. Voor mij.

Terug naar zee

De voorgrond is donker. Het is avond. De schaduwen overvallen ons.

Er zijn huizen en een brug. We ruiken het water dat de stilte angstaanjagend maakt. Er komt nauwelijks licht door de ramen. Eén lantaarn weerspiegelt in de rivier en werpt de doffe geur van petroleum. Dat weten we.
Een stenen vrouw kijkt neer op de peilers van de brug die zich rond vouwen onder de laatste voetganger, wiens schaduw nu recht onder hem valt. Het beeld is okerkleurig maar grof en korrelig, net als de beelden die onze ogen zich vormen van de omgeving, zich een lange weg banend door de nacht.

Takken buigen zich over ons en alles wat nog buiten is. Ze beschermen ons van de blik van de panden die zich al zo lang als een front opstellen en dreigend dichterbij lijken te komen zo gauw de bergen de schemering over het dorp werpen. Maar we weten dat de ramen en deuren dicht zullen blijven.
Als ook de laatste achter een deur verdwenen is, dooft het vuur. De gebouwen worden oranje, bruin, tenslotte zwart. Zij zijn verdwenen.

Wij zwijgen.

Kon niet missen

dat het anders werd.

Zag verdwijnen,
voelde gaan,
moest,
mocht niet,
wilde,
dacht,

maar vergat te missen,
toen ik niets meer zag.

  • BEGINPAGINA


Laatste reacties

  • P. Hoe kun je nou iemans horen
  • P. Tuttut, wanneer mag men zijn
  • Jaap Ik doe mee aan die club, HSP
  • Esra Ja. Kun jij ook lekker doorg
  • Esra Nee, ik kan niet naar Nijmeg
  • Caroline Dat vind ik zo vreselijk aan
  • P. Heeft wel erg veel weg van e
  • P. Je kan ook gaan fietsen.
  • stephanie sommige mensen hebben idd he
  • Mina Vervelend lijkt me... Maar a


© Copyright

  • Esra te Brinke 2006-2009